De Dansende Dichters

Gevalletje

Hij wil zich wel verdiepen
in dat roze gevalletje
dat daar krijsend tussen zijn benen ligt

Hij wil zich wel verplaatsen
in dat van God gegeven monster
dat zijn hart verstikt

Hij wil dat roze kreng wel
betasten en bevoelen, strelen zelfs
maar alles zit tegen

Hij wil dat mormel wel koesteren
voeden en verzorgen
dat mormel dat het beddegoed bevlekt

Hij wil wel genieten
van dat vijgje, dat twijgje
dat zo vaak zo’n pijn doet

Hij wil zich wel bevredigen
op dat ultieme gevoel van man-zijn
maar zijn wezen wil het niet

Hij wil dat wezen wel omarmen
hartverwarmen
maar wil in wezen niet.