De Dansende Dichters

N8, n8 alweer

N8, n8 alweer.
Ik waak, alweer.
Buiten is het stil, ik ben buiten,
buiten mijzelf, zo lijkt het.
Mijn huig klappert als een zeil,
ik lach wat tanden uit mijn kaken.
Dan weer, stil.

Ik loop op gras, op spitsroeden,
er klimt asfalt op mijn voeten, nee,
zand, of toch, of wat, nee, zand, of…

Daar gaan de spoorbomen dicht.
Stap stokt.
Bril af.
Ik heb geen bril, of toch,
bril af.
Er doemen drie lichtjes op.
De nachtelijk navigatie van een locomotief ! Of niet… of wat.. nee…

Drie oude vrouwtjes met kaarsjes,
lopen over de spoorrails.
Ze zingen madrigalen.
Maar dat klinkt mooi in zo’n inktzwarte hartstochtelijke nacht.
Ik doe eindelijk mijn ogen dicht.
En luister, nee slaap, of toch, of wat, of waak, nee…
Luister nauwkeurig. Nu. Hoort !
Een akelige rasp,
één van de drie stemmen VALS,
en raspt.

En dan kabaal
Vrouwtjes slaan collega neer
met zangboek.

Daar ligt ze,
bloedend in haar kunstgebit.
Korset aan rafels.
Het Andreaskruis als stalen wachter.
Stil,
het was stil,
het is,
stil.
N8, n8 alweer.