De Dansende Dichters

Verschijning

Ze stonden op de top
Van een hoge berg.
Een leger, duizend man,
De maarschalk en de dwerg.
Hun pik stonk naar verkrachting
Hun zwaard was rood bebloed
De buik was volgevreten
Van dit duivelse gebroed.
Hun grote rotte tanden
Blonken in de lucht
Was dit de dwaze vrouw
Waarover het gerucht?

Zij stond daar in het dal
Sereen en onbewogen
Een sluier voor haar aangezicht
Het hoofd lichtjes gebogen.

De honden vielen aan
Daar zij geen genade kenden.
Maar hun ogen vielen uit
Terwijl ze naar beneden renden
Het gebroed dat werd verteerd
In de eigen lelijkheid
Gejank, gesis, pijn
Het ogenblik een eeuwigheid.

Met een simpel gebaar van gerechtigheid
Had zij de sluier opgelicht.
Het hele leger werd verpletterd
Door de schoonheid van haar aangezicht.