Woordvoer

 

Uitgehongerd Document

Ik zou wel wat mooie woorden willen spreken
over jou, over mijzelf misschien,
over de mensen van wie we houden,
over de mensen om ons heen.
Woorden waar de affectie en de genegenheid van afspat.

Woorden van liefde.
Woorden die met een majestueuze boog in het rimpelloze water landen,
en waarvan de echo,
gedragen door golven,
tot in alle uithoeken van de wereld te horen is.

Maar mijn hart is koud.
De liefde uitgeput, misverstaan en misbruikt.
De woorden komen niet.
Ik doe er liever het zwijgen toe.

Want zouden er al woorden opborrelen
uit het magma van mijn ziel dan zijn ze,
gedrenkt in zoutzuur,
bitter als de bladeren van de rauwe artisjok,
bijtend als een scheut jodium in de open wond
en pijnlijk als de onverdoofde extractie van een verstandskies.

Woorden, talrijk als een zwerm spreeuwen op trek,
en elke spreeuw staat voor frustratie.
Woorden, talrijk als de mieren in een mierenhoop. Rode mieren.
En elke mier is pijn.

In dit uitgehongerd document bevindt zich slechts één stelling; de teleurstelling.

Zonder plezier, zonder haat, zonder genoegdoening, zonder boete, zonder wraak
maar met een overwéldigende overtuiging,
zou ik de klootzakken en de kuttekoppen,
naakt, aan een boom vastketenen.
Met aan hun voeten, rode mieren en hongerige ratten.
En daar staan ze dan.

Zonder eten, zonder water, zonder uitweg.
En pas dan, dan pas,
zullen zij zich realiseren...........
hun daden, hun acties, hun onovertroffen onverschilligheid.

Van angst, doodsangst, die angst dus, zullen ze schijten,
en de stront zal langs hun benen druipen.
Ze zullen kotsen,
en het braaksel zal over hun borst en buik en langs hun geslacht gulpen.
Ze zullen schreeuwen,
smeken, smeken om hulp, om verlossing.

En pas dan, dan pas,
zullen ze merken, dat niemand iets zegt en dat niemand iets doet.
Zoals zijzelf niets hebben gezegd en niets hebben gedaan.

En pas dan, dan pas,
zou ik wel wat mooie woorden kunnen spreken.
Niet uit triomf, maar meer uit berusting.
Niet uit plezier maar nog steeds uit teleurstelling
en uit verdriet over hun droeve lot,
al is dat lot verdiend.

En dan zal de dichter proberen,
die milde woorden uit te spreken,
omdat er dan is afgerekend
en er weer ruimte is, en hoop.